Rini Wagtmans
© Rini Wagtmans 2013
1973  Profs   alsof ik op ijs reed

Aan zijn eerste wedstrijd, Ronde van Andalusië 1973, begint Rini Wagtmans met achtduizend trainingskilometers in zijn boekje. Hij heeft zich op 14 januari laten keuren door Bredase sportarts Hein van Opstal, die op 23 januari op schrift stelt dat ‘Rini Wagtmans in staat moet worden geacht de beroepswielersport te beoefenen en dat medisch gezien geen bezwaren kunnen worden aangevoerd’.

 

Op 12 februari, aan de Spaanse zuidkust, gaat het
mis. Hij tekent die avond in zijn dagboek een hartje, en schrijft er vier letters naast:

KRAK! Met een uitroepteken.  

 

Rini Wagtmans heeft een fotografisch geheugen, zoals  zoveel renners. Maar hier is hij vier á vijf  minuten buiten westen geweest. Hij schrikt de bijeengeraapte informatie. ‘De eerste dag wordt ik vijfde in de proloog. Daarna nog een keer zevende, ik zit altijd gewoon in de groep. En ik begin aan te vallen. De rit van Nerja naar Montril. De zon brandt. Na 65 kilometer komt er een afslag naar links, van de Costa del Sol het binnenland in. Een soort bergketen.’

‘Ik rijd weer als een waanzinnige. Walter Godefroot zegt tegen mij: “Dit heb ik nog nooit meegemaakt, zo vroeg in het seizoen al zo hard rijden.” Ik rijd het hele peloton naar de Filistijnen.’ ‘Rik van Linden demarreert, een Handvol Spanjaarden gaat mee, ik ook. Moeiteloos. We komen boven op het bergje. Ik

wil terugschakelen, weer in het zadel gaan zitten, ik krijg geen adem, ik voel opeens niets meer. En alles wordt kleiner, alsmaar kleiner. Mensen worden poppetjes, rennertjes rijden met miniatuurfietsjes en ineens gaat het licht uit. Ik sla zo tegen de weg. Hetzelfde effect als wanneer je je adem te lang inhoudt.’ ‘Iedereen schrikt. Ton Visser staat erbij en

denkt dat ik doodga.. De Spaanse broeders roepen dat ik een hartinfarct heb of zoiets. Ze beginnen te reanimeren, op mijn borst te slaan, in mijn gezicht te meppen. Ze leggen mij op een brancard en willen mij de ambulance in dragen. Ik kom bij, spring overeind en roep: waar is mijn fiets!? Ik  stap op terug mijn fiets, rijd naar het peloton, kom over de finish en ga naar het ziekenhuis voor onderzoek. Een hartinfarct, ik geloofde het niet. Ze hebben me helemaal onderzocht... en ik word gezond verklaard. Buen Forme , grote vorm, niets aan de hand, fietsen maar. Zo gezond als een vis. Maar daarna was het alsof ik op ijs reed.'  ’S  Avonds in het hotel krijgt hij opnieuw een optater. ‘Kees Koenen was erbij. Alsof ik van binnenuit een stroomstoot van duizenden volts kreeg toegediend.’ Die avond pakt Wagtmans zijn dagboek. KRAK! Hij rijdt Andalusië wel uit, wordt nog 35ste.

 

In eigen omgeving probeert hij de training zo serieus mogelijk bij te houden. Het moet zich beperken tot bescheiden trainingsritjes van veertig, vijftig kilometer. Hij rijdt wel de Omloop het Volk en wordt uit een waaier gereden. Vraagtekens alom, Wagtmans bagatelliseert. Maar tijdens de training gaat hij twee keer ‘van de wereld’.

‘Ik rijd door Zeeland, te hoogte van Goes, en daar zijn ze het fietspad aan het straten. En dan moet je door rul zand. Ik wil erdoorheen en val. Lachen dat die mannen doen. Die denken: die kan niet sturen. Ik raak weer even weg. Ik durf niet meer verder; heb naar huis gebeld of Henk Knobbel mij kan komen ophalen. Een paar dagen later, bij het gemeentehuis in Rucphen, lig ik weer. “Ge mot eerst eens leren sturen Wagtmans!” Ik dacht: “Daar moet een dokter bijkomen.”

Hij neemt weer contact op met van Opsta. En met Biersteker, die hem andermaal een test laat doen op de fietsergometer. Nog voordat hij de uitslag heeft, rijdt Wagtmans Luik-Tongrinne, een koers in het Waalse over veel hellingen van Luik-Bastenaken-Luik. Het is 21 maart 1973. Wagtmans raakt voorop met onder andere Roger de Vlaeminck en Raymond Poulidor. Ze dansen de Stockeu op, Luik-Tongrinne is 14 kilometer oud. Wagtmans komt als eerste boven.

En: het gebeurd wéér.

Het wordt zwart voor zijn ogen, het licht gaat uit en klaboem... Hij valt. Eén krachtinspanning en hij valt. Hij verliest het bewustzijn, komt bij, en ziet Leo Klein en Huub Engelen naast hem staan. Klein en Engelen, Limburgse organisatoren van Nederlandse   

wedstrijden, waaronder het NK. Een dagje koers kijken in België. ‘Ze rapen mij op, laden mij in de auto en brengen mij naar een ziekenhuis in Huy. Er worden wat proeven genomen.

 

De Dokter komt en vraagt:  

“Hedde gij gepakt?” Ik zeg: “Ik niet.” “Allez, dat is dan serieus, hé, dan gade gij nooit meer koersen. Als gij oe eigen niet gedrogeerd hebt. Dan hebbe gij grote problemen. Dan zijt gij hartpatiënt. Dan gaat dit het einde zijn.”En dat kwam nog uit ook.’

 

In Huy wordt voor het eerst medisch geconstateerd dat Wagtmans hart wel eens stilstaat.