Rini Wagtmans
© Rini Wagtmans 2013
Mijn roots items
Mijn roots    het mirakel van ‘t Heike
Mirakel van ‘t Heike

Het mirakel van ‘t Heike    

Sint Willebrord  -  Pastoor Kroes  - 1843

Kerkhoftuin Oude kerk Sint Willebrord

 

Rini zijn roots liggen in Sint Willebrord, een dorp met vele verhalen, het mirakel van het Heike is zo’n verhaal. Het is geschreven door John van Ierland en verschenen in het boek ‘Het Klaveren Vrouwke’.

 

Net als Sprundel ligt ook het dorp Sint Willebrord temidden van de heiden, het is er zelfs in de volksmond naar vernoemd: het Heike. Het dorp werd bewoond door een eigenaardige bevolking. Ze waren afstammelingen van vreemde zwervers en zelfs Zigeu­ners die zich daar gevestigd hadden. De mensen leefden van diefstal en smokkelarij. Alles wat ze tegenkwamen en wat niet te heet of te zwaar was namen ze mee. Het dorp lag erg geïsoleerd en werd, misschien wel daarom, aan zijn lot overgelaten. Doch niet door allen; monseigneur J. van Hooijdonk, de apostolische administrateur uit Breda, liet zijn bijzondere zorg uitgaan naar het gehucht waarvan de inwoners allen katholiek waren. Hij vond Pastoor Antonius Kroes bereidt een kerk te bouwen en een parochie in het Heike te stichten. Tot patroon van de kerk werd Sint Willibrordus gekozen en het gehucht kreeg de naam Sint Willebrord. De vrome pastoor was verknocht geraakt aan de gemeenschap en probeerde met de parochie het volk te keren naar een vromer volk met andere waarden en normen. Dagelijks ging hij er voor naar het aangelegde kerkhof en bad tot de heer om aan zijn wensen gehoor te geven.

 

Op 11 juli 1843 ging Antonius Kroes wederom naar zijn vaste bidplaats in de kerkhoftuin. Hij vroeg de heer om raad en om vergiffenis voor de zoveelste criminele daad van een van zijn parochianen. Na zijn gebed zag hij neer over de graven in de kerkhoftuin, ondanks het criminele karakter van de gestorvenen was hij ervan overtuigd dat de heer ze een mooie plaats in het hiernamaals had bezorgd. Uit zijn zilveren snuifdoos tikte hij wat snuiftabak op de zijkant van zijn hand, tussen de duim en de wijsvinger en snoof het via zijn neusgaten op. Met genot, hoewel dat in vele opzichten voor een pastoor verboden was, zag hij de gezichten van de overledenen weer voor zich en legde hij zijn zilveren tabaksdoos naast zich op het houten bankje. De pauze was van korte duur, de plicht riep en de pastoor verliet zijn dagelijkse bidplaats in de kerkhoftuin. Hij vergat zijn zilveren snuifdoos en het kostbare kleinood bleef dientengevolge op het bankje opblinken in de zon.

Een dorp vol mensen die leefden van diefstal en smokkelarij en een in de zon blinkende zilveren tabaksdoos, een combinatie die er om vroeg het één door de ander onrechtmatig toe te eigenen.

Maar het eerste uur, ondanks dat er mensen voorbij liepen, bleef de doos liggen. Met verlangende blikken werd er naar het doosje gekeken, toch werd er de hele ochtend, zelfs de hele dag niet aangekomen. Zoals altijd werd de dag gevolgd door de avond en de nacht. Deze keer was het een pikdonkere nacht die werd veroorzaakt door een maansverduistering. Een ideale nacht om een slag te slaan, geen mens zou de dader kunnen zien. Maar ook deze nacht die door haar duister vele duisterheden aan het oog onttrok was niet het decor van een diefstal van een tabaksdoos. Keurig bleef het doosje liggen wachten op het bankje in de kerkhoftuin.

De volgende ochtend was de pastoor al vroeg opgestaan, hij miste de gewoonte even van zijn snuiftabak te proeven en kon er niet over uit dat hij het kostbare doosje had verloren. Hij moest op zoek naar een ander doosje, doch de emotionele waarde, het doosje behoorde nog aan zijn grootvader, zal een nieuw nooit kunnen vervangen.

Treurnis alom bij de pastoor, toch bleef hij vastberaden geloof geven aan zijn werk en ging wederom naar de kerkhoftuin om te bidden tot zijn heer.

Als een blijde boodschap zag hij het zilveren ding op het bankje liggen. Hij klemde het tegen zijn borst aan en keek naar de strakblauwe hemel.

“Heer u hebt mijn gebeden gehoord, dit doosje en dat in dit dorp, is onaangeroerd gebleven. Het is het begin van de verandering van de mensen hier, het is een wonder. Het is het mirakel van het Heike.”

Het Heikesvolk, pure katholieken, waren enorm gesteld op pastoor Antonius Kroes, hij gaf hen een kerk en een parochie. Deze man behoorde niet bestolen te worden.

 

Sinds die elfde juli en vandaag de dag nog steeds, gaat het verhaal van het zilveren tabaksdoosje door het leven als het mirakel van het Heike. Het gaat zelfs nog veel verder. Vele parochianen hebben tijdens een maansverduistering, wanneer geen hand voor ogen gezien kon worden, op het kerkhof een klein zilveren doosje zien blinken. Niemand is er ooit over de hekken gestapt om het ding te pakken. De Heikesmensen weten dat het de geest is van Pastoor Kroes die tijdens de maansverduisteringen over het kerkhof doolt met in zijn hand het zilveren doosje met snuiftabak, hij beschermt er nog steeds zijn oude parochianen.

In de tuin van de oude parochiekerk van
Sint Willebrord liet pastoor Kroes zijn
zilveren snuifdoos liggen
en iedereen liep er voorbij.